Muziekgroep De Tarantella

muzikanten_middeleeuwsGeschiedenis middeleeuwse muziekinstrumenten
Veel middeleeuwse instrumenten zijn vanuit Azië in Europa terecht gekomen. Vermoedelijk via Byzantium, maar ook via Perzië, Noord-Afrika en Spanje.

Muziekinstrumenten waren ondergeschikt aan zang. Het is onwaarschijnlijk dat er in de vroege middeleeuwen instrumentale muziek bestond die niets met zang of dans te maken had. Middeleeuwse dansen werden niet alleen met zang maar ook met instrumenten begeleid. De Estampie is een voorbeeld van oude instrumentale dansmuziek.

In de latere middeleeuwsen (ongeveer in de 14e eeuw) werd muziek zowel vocaal als instrumentaal uitgevoerd. Er zijn weinig instrumenten bewaard gebleven uit deze periode, daarom is de meeste kennis over middeleeuwse instrumenten veelal gebaseerd op illustraties in manuscripten of kunstwerken in kerken. De oudste instrumenten zijn de harp, de citer en de luit. Een instrument wat vaak in de middeleeuwen werd gebruikt is de psalterium. De blaasinstrumenten die werden gebruikt waren de zink (een rechte of gebogen hoorn), de sackbut (voorloper van de trombone), de schalmei of pommer (voorloper van de hobo), de blokfluit en dwarsfluit. Het portatief was de voorloper van het orgel. Dit was een klein, draagbaar orgeltje die met 1 hand bespeeld werd terwijl gelijktijdig de andere hand de blaasbalgen met lucht vulde. Vanaf de 12e eeuw werden slaginstrumenten gebruikt, voornamelijk om bij dansmuziek de maat aan te geven. De meest gangbare trommels waren de tamboerijnen.

In de volksmuziek werden draailier en doedelzak veelvuldig bespeeld.
Blokfluit, vedel (voorloper van de viool) en trom werden bespeeld door minstrelen en jongleurs.

Stijlperiodes in de muziekgeschiedenis
Net zoals literatuur en beeldende kunst kent de muziekgeschiedenis bepaalde stijlperioden. Voor iedere stijlperiode gelden een aantal specifieke kenmerken waardoor men kan bepalen tot welke periode een bepaald muziekstuk gerekend kan worden. Middeleeuwse muziek omschrijft de periode van 325 na Chr. tot ongeveer 1450.
Grofweg zijn er 8 perioden te verdelen in de geschiedenis van de muziek, dat zijn:

Oudheid: tot 325 na Christus
Vroege middeleeuwen: 325 tot 11e eeuw
Middeleeuwen: 12e en 13e eeuw
Late middeleeuwen: 14e en 15e eeuw
Renaissance periode: 15e en 16e eeuw
Barok periode: 16e en 17e eeuw
Klassieke periode: 17e en 18e eeuw
Romantische periode 19e en 20e eeuw
De moderne tijd: 21e eeuw

Vroege middeleeuwen
De verbreiding van het christendom heeft de Europese muziek tot ontwikkeling gebracht. Muziek in deze periode was voornamelijk eenstemmig (monofoon). Gregoriaanse muziek is een bekend voorbeeld van vroege middeleeuwse muziek.

In deze tijd ontwikkelde zich binnen de kerkmuziek ook een systeem van eenvoudige zeven tonige toonladders, ook wel bekend als de Gregoriaanse toonsoorten oftewel: de kerktoonladders. Kerktoonladders zijn toonladders met dezelfde intervallen maar begint op een andere trap van de toonladder. Een bekende monnik en musicus Guido van Arezzo ontwikkelde in 1030 een systeem wat beschouwd kan worden als de voorloper van het huidige muzieknotatie. Hij ontwierp namelijk een notenbalk wat koorknapen hielp in het onthouden in welke toonhoogte ze moesten zingen.

Middeleeuwen
In deze periode ontstond in toenemende mate de meerstemmigheid in de muziek. Van tweestemmige muziek ontwikkelde er meerstemmigheid, waarbij elke stem zijn eigen weg volgt en tegelijk harmonieus met de andere samenklinkt. In deze tijd ontwikkelde zich naast kerkmuziek ook gezangen voor het volk. Volksmuziek was niet langer meer primitief en mocht uitgedragen worden. Bekende voorbeelden zijn de middeleeuwse hymnen die in diverse streken voorkwamen.

Troubadours, trouvères, minnesänger, jongleurs en minstrelen
Troubadours waren rondtrekkende middeleeuwse kunstenaars die hun gedichten middels muziek tot leven brachten. Andere benamingen waren trouvères en ze waren veelal actief in Frankrijk. In de Germaanstalige landen kwamen ze echter ook voor, maar dat werden minnezangers genoemd. Een voorbeeld van muziek voortgebracht door troubadours is te beluisteren op deze link. Troubadours bezongen over het algemeen de hoofse liefde. Hoofse liefde kwam uitsluitend voor in de hogere standen en behelsde de bewondering van een edelman of ridder voor een onbereikbare vrouw.

Jongleurs waren muzikanten die van kasteel tot kasteel trokken en van dorp naar dorp om met zang, dans en andere kunsten het publiek vermaken. Ze componeerden zelf geen liederen, maar voerden werken uit die door anderen werden gecomponeerd of brachten overgeleverde volksmuziek. Wanneer een jongleur in dienst kwam bij de plaatselijke adel noemde men deze minstreel.

Ars Nova
De Ars Nova was een stroming die de muziekstijl van zijn strakke banden zou bevrijden. Dit heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in Italië in de 14e eeuw en verbreidde zich al gauw naar Frankrijk waar het samenviel met een golf van intellectuele en kunstzinnige ontwikkeling. Het omvatte vaak politiek of maatschappelijke opruiende teksten, voor het geval de belangstelling van de toehoorder zou verslappen.

Late middeleeuwen
In deze tijd ontwikkelde de muziek steeds meer. Er kwam meer vrijheid in de muziek, meer gebruik van meerstemmigheid en toenemend gebruik van begeleidende muziekinstrumenten en samenstromen van muziek- en kunstzinnige ontwikkelingen. De muziek werd melodieuzer en volkser van aard. Het is moeilijk te zeggen wat precies het eind van de ene periode en het begin van een volgende periode is. Als een nieuwe beweging in de muziek of kunst in de mode raakte was het oude daarmee niet gelijk weg. Zo bestonden aan het eind van de middeleeuwen de starre tradities van de vroegere kerkmuziek voort naast de ingewikkelde, weldoordacht ars nova en de vrolijke volksmuziek.

De Renaissance
De renaissance (letterlijk: wedergeboorte) is een periode in de Europese cultuurgeschiedenis die volgde op de middeleeuwen. De renaissancistische schilder- en bouwkunst, die omstreeks 1430 een aanvang nam toonde een voorkeur voor de eenvoudigheid van de Griekse en Romeinse klassieke stijl in reactie op de sierlustige gotische stijl, die later weer herboren zou worden in de Barok periode. Binnen deze muziek was deze wedergeboorte tweeledig: een voorzetting vanuit de polyfonie (meerstemmigheid) die hernieuwde aandacht zochten voor de verstaanbaarheid en de muzikale ondersteuning van de gezongen, (monofone) teksten. Daarnaast ontstond een wereldlijke muziek die minstens zo belangrijk, geraffineerd, modern en roerend was als de oude kerkmuziek.

De Barok periode
De Barok periode is een periode van veel pracht en praal in zowel de schilder- en bouwkunst maar ook in de muziek.

Kenmerken van de barokmuziek zijn:

– Opera’s met thema’s uit de Griekse en Romeinse mythologie
– Instrumentale vormen, zoals het concerto grosso en de suite, bedoeld voor uitvoering in adellijke kringen
– Adellijke dansvormen, waaronder allemande, bourrée, gavotte, menuet en sarabande
– Magere, sobere bezetting
– Veel pracht, praal en versieringen in de muziek
– Polyfonie